Niet-wielrenners

‘Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me’. Een beetje wielrenner én boekenwurm herkent deze zin uit De Renner van Tim Krabbé.
Afgelopen week moest ik aan hem denken. Voor het eerst tijdens onze zomervakantie nam ik mijn racefiets mee. Niet mijn wegfiets, daar ben ik net even te zuinig op. Met kamperen zou hij 3 weken buiten moeten staan, evt onder een zeiltje. En dat zag ik niet zitten, dus is het de gravelbike geworden. En daar had ik zeker geen spijt van. De perfecte fiets voor het Franse land. Hoewel het asfalt vaak goed is, kwam ik toch geregeld op gravelstroken terecht. Geen probleem dus, gewoon doorfietsen. Ook in de beklimmingen viel het mij zeker niet tegen. Oké een beetje meer weerstand, maar dat vond ik geen probleem. Op onze eerste stop in de Loire was het sowieso eenvoudig vanwege de geringe hoogtemeters. Veel e-bikers zoevend op weg naar een mooi chateautje. Ook veel mensen die ‘langs de Loire fietsen’ als uitdaging hebben gekozen. Zeker leuk en mooi voor 10 of 20 km, maar om er nu een paar honderd km langs te fietsen lijkt mij niets.

Nee geef mij maar iets meer hoogtemeters, ook met de gravelbike. In de Cevennen was ik dan ook meer in mijn sas. Zo ook Anja met haar Olijfje, zoals ze haar olijfkleurige e-bike liefkozend noemt. We zaten bij Meyrueis en eerlijk gezegd kwam ik er pas na een paar dagen achter dat dit dé startplek is van de door Tim Krabbé uitgebreid beschreven Ronde van de Mont Aigoual. Een schitterend gebied. Ruig, dor, schapen en vooral rust. In de Cayon de la Jonte kom je nog een enkele fietser tegen.

Maar verlaat je met een pittige klim deze kloof dan kom je op een God en iedereen verlaten plateau. Hoewel God er wel degelijk rondwaart want in de meest kleine plaatjes staat een joekel van een Eglise.

Helaas was er geen tijd (rotsmoes natuurlijk) om de Mont Aigoual ook de beklimmen. Deze Mont is dé klim in de omgeving en in De Renner. Achteraf jammer, dat ik dat niet gedaan heb, dus ik moet nog een keer terug 😊
Komoot is mijn vriend als het gaat om mooie routes in de omgeving te selecteren. Natuurlijk een beetje zoeken naar een op maat route, maar verder weinig verrassingen tot nu toe. Niet in de Cevennen, maar ook niet in de Auvergne, onze laatste plek. In de Auvergne hadden we een paar dagen afgesproken met vrienden, waarvan híj de zin van Krabbé wel heel bizar naleeft. Geen ‘leegheid’ voor hem. Geen dag zonder een fietstocht van ca 75km. 365 dagen per jaar. Zo ook op hun dag van aankomst in de Auvergne. De camper stond nog niet op de plek of ik kreeg al de vraag of ik een mooie route van 70 a 80 km in gedachten had. Gelukkig had ik mij goed voorbereid, dus na de lunch konden we meteen vertrekken. Een schitterende streek met al die Puys, maar dit zorgt er wel voor dat er geen vlak stukje asfalt te vinden is. Werken dus.

Het toeval wil dat in deze rit na één km klimmen ook hier een gravelstrook in zat. Voor mij geen probleem natuurlijk, maar mijn compagnon op de racefiets zag dit niet zo zitten. Ook omdat niet helemaal duidelijk was hoelang die strook was. Dus die geplande 80km werd 90 km en die 1500hm werden er 1900. Wel een mooie tocht hoor, met Col de la Croix Morand als einddoel. Een stevige klim die ik de laatste 4km helaas met krampen in de bovenbenen moest volbrengen. Gelukkig kon ik de kramp er iedere keer uit fietsen. Hier overigens wel veel renners onderweg, die duidelijk allemaal geen last hadden van een frozen shoulder. Zodra je ze passeerde staken zij hun hand tot boven de schouder op. Erg vriendelijk. Dat is wel iets anders dan het subtiele knikje. Misschien moet ik dat in Nederland ook maar gaan invoeren.

Advertentie

340 km fietsen op één dag

Het is erg lang geleden dat ik een 300-plusser achter mijn naam kon zetten. Om precies te zijn 23 jaar geleden. Op mijn dertigste reed ik samen met mijn broer Jan een rondje IJsselmeer. Nou ja ‘rondje’, we gingen ook onder de Flevopolders langs. Waardoor de teller ’s avonds op 340 km stond.

Inspiratie
Natuurlijk heb ik daarna wel eens gedacht om het nog een keer te doen, maar het kwam er gewoon niet van. Totdat ik tussen Kerst en Oud & Nieuw via Strava zag dat Tim Krabbé (73 jaar) met een groep een rondje IJsselmeer had gereden. Met temperaturen onder en net net boven nul!

En meteen ging de knop bij mij om. Dit wil ik ook weer doen. Ik appte direct mijn broer. “Dat kunnen wij toch ook nog wel?” Als snel kwam zijn reactie. En daarmee een mooie uitdaging voor 2017.

24 jaar geleden
Het avontuur van 23 jaar geleden begon eigenlijk een jaar eerder. Ik belde mijn broer, ja toen belden we nog. “Zeg Jan, ik wil een rondje IJsselmeer fietsen. Maar over acht weken ga ik op vakantie naar Turkije, daarna heb ik geen tijd meer, dus het moet daarvóór”. “Is goed”, was zijn korte reactie. Binnen zes weken begonnen we aan onze tocht, die voor mij na 300km eindigde. Mijn hele lichaam was ontregeld. Ik kon geen eten en drinken meer binnenhouden. Iets met man en hamer. Ontdaan stapte ik bij het pontje Eemnes in de volgauto. Jan, reed laatste stuk alleen.

Revanche
De revanche met mezelf kwam het jaar erna. Naar nu met goede voorbereiding. Van te voren veel kilometers gemaakt, onder alle omstandigheden. Ik herinner me nog een retourtje Amstelveen – Hank (220km) bij temperaturen boven de 30 graden. Maar ook qua eten. Ik heb mezelf aangeleerd om goed en regelmatig te eten en te drinken.

Ook nu hadden we een volgauto met beide partners als steun en toeverlaat. We spraken voor het eerst na 120 km  af. Direct na de Afsluitdijk. En daarna na iedere 60 km. En dat is toch moeilijker dan vandaag de dag. Want waar ga je elkaar zien. Je kunt niet bellen, niet appen. Dus je spreekt af op een duidelijk herkenbaar plek. ‘Eerste weg links bij de N201′, dat soort afspraken. En dan hopen dat je daar een beetje kunt stoppen. Je eindigt dan wel vaak tussen vrachtauto’s op een parkeerterrein of langs een N-weg in de berm, maar dat maakte allemaal niet uit.

Alleen bij Spakenburg hebben we denk ik een half uur tijd verloren. We reden op zondag. En wat moet je niet doen op zondag? Denken dat er een pontje gaat bij Spakenburg. 

Onze volgers waren hier natuurlijk al veel eerder achter, en wilden ons behoeden voor extra kilometers. Ze reden ons tegemoet. Dachten ze. Uiteindelijk stonden wij bij de pont die niet ging én geen volgauto. Je begrijpt het al, het werd er gezelliger op :-).

Maar goed uiteindelijk kwamen we elkaar toch weer tegen. En met de laatste bevoorrading reden we naar huis. 340 km, 16 uur van huis, maar met 2 vingers in de neus gedaan. En met een welverdiend shirt als beloning.

Benieuwd hoe het ons dit jaar zal gaan. 23 jaar ouder, maar nog steeds alle vetrouwen dat het ook nu gaat lukken. En al helemaal na de prestratie van Tim Krabbé vorige maand. De voorbereidingen zijn gestart.

Tanden als glasscherven op een muur

Als ik recensies of tweets lees over het boek De Renner van Tim Krabbé dan komen ze eigenlijk altijd op hetzelfde neer: een ‘must read’.

Nu was ik jaren in de veronderstelling dat ik De Renner al eens gelezen had. Blijkt dat helemaal niet het geval te zijn! En daar kwam ik achter toen ik het voor de tweede keer dacht te gaan lezen.

Wat een heerlijk boek is dit. Uit 1978. Het jaar dat ik zelf begon met fietsen. Vooraf denk je, hoe goed kan een boek zijn als ‘alleen maar’ een 139 km lange wielerwedstrijd wordt beschreven. Maar vanaf de eerste alinea zit je meteen in het verhaal.

“Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.”

Datzelfde gevoel bekruipt mij, als ik tijdens een actieve vakantie in de Alpen, mensen zwartgeblakerd op een strandje van een stuwmeer zie liggen.

Tim beschrijft de Ronde van de Mont Aigoual, een zware klimkoers in Zuid-Frankrijk, die je nog steeds jaarlijks kunt fietsen.

wp-1465852578797.png

Het boek is heel zintuiglijk geschreven. Alles wat hij ziet, hoort, voelt en ruikt beschrijft hij. Zonder dat het saai wordt. Een kwaliteit op zich. Ik heb het vorig jaar tijdens een cursus commercieel schrijven zelf eens geprobeerd. Valt niet mee. Maar Tim strooit ermee, alsof het hem geen enkele moeite kost. Even een paar voorbeeldjes:

1 ‘Mijn longen plooien open, de lucht van de canyon waait door mijn haar, de geur van balsems op andermans benen spat van hun spaken mijn neus in.’

2 ‘Pss. Het bekende geratel, maar mijn velgen blijven met banddikte boven de grond voortrollen. Niets sist zo mooi als een lekke band van een concurrent.’

Ook beschrijft hij een wielrenner waarvan de tanden als glasscherven op een muur staan. Mooie tekst! Ik zie het meteen voor me.

image

Natuurlijk is het lezen van De Renner leuker als je zelf ook fietst. Ik ben nooit een wedstrijdrenner geweest, maar de herkenning is enorm. De pijn bij het klimmen! Het gevaar in de afdaling.
Dus, als je iedere week je stalen ros of carbonbike weer op het asfalt zet, lezen dat boek.

Maar Tim verdient meer respect dan alleen als schrijver van De Renner. Wekelijks zie ik hem op Strava nog steeds zijn rondje maken. Nou ja rondjes! Zeg maar rondes. Als 73 jarige draait hij zijn hand niet om voor een fietstochtje Amsterdam – De Cocksdorp v.v. met de Windjammers. Of een rondje Flevopolders. Met een gemiddelde van boven de 30 in het uur. Respect Tim!

image